Diffusieopen wandopbouw

Een diffusieopen wandopbouw streeft volgens onderzoeken van bouwbiologische instituten (zie Dümmer 2013 in Literatuur) naar een Sd-waarde kleiner dan 1,0m equivalente luchtlaagdikte. Hoe kleiner de waarde, hoe kleiner de weerstand is, die het vochttransport tegenwerkt.
Dit laat zekere uitspraken toe betreffende de gasuitwisseling:

Gassen streven naar een concentratieëvenwicht. Verbruikte lucht streeft naar frisse lucht en omgekeerd. In de wand komen de gassen elkaar tegen en daarmee wordt deze tot lucht- en warmtewisselaar. Interessant zou het zijn op deze plek wetenschappelijk te bewijzen, hoeveel gas en hoeveel warmte in welke richting stromen.
Bij welk isolatiemateriaal en bij welke isolatiedikte zijn de meest efficiënte resultaten te bereiken?
In proefnemingen aan het instituut voor bouwbiologie in Neubeuern werd deze samenhang vastgesteld. Zo is het mogelijk, door de geringe luchtweerstand van de constructie de doorgang van zuurstof naar het binnenste van het gebouw te bewerkstelligen, wanneer een zuurstofgebruiker actief is. Het komt tot gasuitwisseling. Een kaars dooft niet, wanneer geplaatst in een ruimte van 1m³ met een Sd-waarde lager dan 1,0.
Bij een 24 cm. dikke wand van onze HarKun-bouwwijze ligt de Sd-waarde onder 1,0m.

Diffusie en capillariteit zijn gelijktijdig en gemeenschappelijk werkzaam voor een droge wand.

Een voorbeeld: een vochtige spons in een houten kist droogt slecht, zelfs wanneer lucht om de kist heen stroomt. Is de kist aan twee tegenover elkaar zijden geopend, ontstaat door verdamping aan het oppervlak een onderdruk in de vochtige spons en het water volgt. Tegelijk doorstroomt de nakomende lucht het vochtige milieu, wordt verzadigd van vocht en transporteert deze naar buiten, wat tot een snelle droging leidt. Wisselt de luchtstroom van richting, kunnen het water en de lucht naar de andere zijde ontsnappen. Blijft echter een kant van de houten kist gesloten, zoals een damprem aan de binnenzijde van de buitenwand, vindt deze zuiging niet zijn snelle vereffening. De droging van de buitenzijde door de wind zorgt ervoor dat de capillaire stroom afbreekt en verder naar binnen liggend water nog langzamer verdampt. Een verdere damprem ontstaat aan de buitenzijde.
Hetzelfde gebeurt in omgekeerde richting, wanneer temperatuur- en vochtigheidsrelaties omkeren. Warme buitenlucht drukt de vochtigheid in het koelere binnenste en daar stuit ze op de dampremmende laag. Vanwege deze redenen zijn de gebruikelijke constructies met de damp- en windremmende lagen zeer gevoelig.

Door blowerdoor-tests – in het gebouw wordt een onderdruk gevormd – kan men alle foutieve plekken of lekkages in kaart brengen. Deze moeten onvoorwaardelijk worden opgelost om bouwschade te vermijden. Vooral aan de gevel-, vloer, dak-, raam- en deuraansluitingen moet bij de verwerking van de kleefstroken en folies bijzondere aandacht geschonken worden.
De variant van enerzijds diffusie en capillariteit en anderzijds van de ‘open houten kist’ van natuurbouwstoffen, heeft zich gedurende eeuwen bewezen. Ze is ongevoeliger, robuuster en laat bepaalde lekkages toe.